Dante's Hel

Dante's Hel

In Proza Overgebracht En Met Een Inleiding Voorzien

Published

Excerpt:

Op dat tijdstip begon die levens-geest, dewelke woont in de hooge kamer, in welke alle geesten der zinnen hunne gewaarwordingen brengen, zich zr te verwonderen, en sprekende bijzonderlijk tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden: "Nu is uwe gelukzaligheid verschenen."

Op dat pas begon de natuurlijke geest, dewelke woont in dat deel, waar ons voedsel ons wordt toegediend, te weenen, en weenende zeide hij deze woorden: "Wee mij ellendige! want vele malen voortaan zal ik belemmerd zijn."

Van toen aan zeg ik dat de Liefde [1] heer was in mijne ziel, de welke van stonde aan hem was toegewijd, en begon over mij te nemen z groote zekerheid en z groote heerschappij, door het vermogen hetwelk hem gaf mijne verbeelding, dat mij geviel te doen volkomenlijk alle zijn behagen."

Dan van negen jaren later verhaalt Dante:

"Op den laatste van die dagen (n.l. van dat negende jaar) gebeurde het dat die bewonderenswaardige vrouwe mij